De successie van moerassen verloopt van open water via verlandingsstadia tot moerasbos. Vanuit ecologisch opzicht is elke fase van verlanding van belang. Vitaal rietland moet in direct contact staan met het oppervlaktewater.

Als de rietmat als gevolg van verzuring en verdroging te dik wordt en de invloed van regenwater groter wordt, neemt het aandeel kruidachtigen af ten gunste van grassen, zoals pijpestrootje. Om dit verdrogings-en verzuringseffect teniet te doen, wordt de bovenste laag afgeplagd of wordt de gehele rietkragge weggehaald (open water maken). Van de 5.579 ha rietland die in Nederland op deze wijze wordt beheerd komt de komende periode jaarlijks zo’n 350.000 m3 biomassa vrij, hetgeen overeenkomt met 17.500 ovendroge ton. In een praktijkexperiment is gezocht naar methoden om de rietbiomassa geschikt te maken als biobrandstof. De volgende methoden zijn onderzocht: centrifugeren, geotextielzakken, vijzelpers, balenpers, geforceerd drogen met restwarmte, geforceerd biologisch drogen, natuurlijk drogen met omwerken en het natuurlijk drogen van rietturfblokken. Uiteindelijk is de laatste methode het meest geschikt gebleken voor verwerking in de rietlanden zelf en het drogen met omwerken in depotomstandigheden.

Informatie

uitvoerder(s): Patrick Jansen en Leen Kuiper
opdrachtgever(s): Natuurmonumenten en Staatsbosbeheer
periode van uitvoering: 2002 - 2003

Resultaten

rapport:
verslagen:

Tags